4.1 Opkomende en minder bekende tekenoverdraagbare zoönosen in Nederland

Naast de bekende tekenoverdraagbare infecties Lyme borreliose (3.4) en tekenencefalitis (TBE) (3.6) kunnen teken in Nederland verschillende andere pathogenen overdragen die bij mensen ziekte kunnen veroorzaken. Voorbeelden zijn Anaplasma phagocytophilum, Babesia spp., Neoehrlichia mikurensis en Spiroplasma ixodetis. Humane infecties met deze pathogenen worden in Nederland slechts sporadisch vastgesteld, maar waarschijnlijk is er flinke onderherkenning en onderdiagnostiek. Tegelijkertijd zijn deze pathogenen, of aanwijzingen voor een infectie in het verleden, in verschillende onderzoeken aangetoond bij mensen, dieren en teken. Voor de meeste van deze infecties is de omvang van de humane ziektelast in Nederland nog onvoldoende bekend.1,2 

4.1.1 Anaplasma phagocytophilum

A. phagocytophilum is een obligaat intracellulaire bacterie die voornamelijk neutrofiele granulocyten infecteert en humane granulocytaire anaplasmose (HGA) veroorzaakt. De infectie kan leiden tot een acute koortsende ziekte met onder andere leukopenie, trombocytopenie en verhoogde leverenzymwaarden. Ernstige ziekte met onder meer respiratoire, renale of neurologische complicaties is beschreven. In Nederland wordt anaplasmose slechts sporadisch vastgesteld en is de frequentie van humane infecties niet goed bekend.1,2

In 2025 werden in Nederland twee autochtone humane infecties met A. phagocytophilum vastgesteld. Deze twee patiënten zijn beschreven door Arts et al. (2026)3 en hadden een ernstig ziektebeloop. In dezelfde periode werden ook 15 PCR-positieve paarden gevonden. In de getypeerde humane en equine monsters werd het voor humane infecties relevante ecotype I aangetoond.4 Europese genetische studies laten zien dat humane infecties vooral geassocieerd zijn met een specifieke subcluster binnen ecotype I, die ook bij paarden wordt aangetroffen.5 

De combinatie van humane en veterinaire detecties suggereert dat A. phagocytophilum in Nederland mogelijk breder circuleert dan op basis van de huidige humane diagnoses wordt herkend. One Health-surveillance, waarbij humane en veterinaire gegevens worden gecombineerd, kan bijdragen aan een betere herkenning van humane infecties en aan het verder in kaart brengen van de epidemiologie in Nederland.

4.1.2 Babesia spp.

Ook Babesia spp. zijn in Nederland aangetoond. Babesia is een protozoaire parasiet die zich intracellulair in erytrocyten vermenigvuldigt en hemolyse kan veroorzaken. In Europa zijn met name B. divergens en B. venatorum relevant, terwijl B. microti een bredere geografische verspreiding heeft en vooral in Noord-Amerika voorkomt, maar ook in Europa is aangetoond.6

In 2024 werd de eerste autochtone humane babesiose in Nederland beschreven, veroorzaakt door B. venatorum. De patiënt ontwikkelde een ernstige infectie. In teken die in de omgeving van de woning werden verzameld, werd eveneens B. venatorum aangetoond. De genetische overeenkomst tussen het humane isolaat en de teken uit dezelfde omgeving ondersteunde een lokale infectiebron.6

Het ziektebeeld varieert van asymptomatische infectie tot ernstige ziekte. Vooral mensen met asplenie, immuunsuppressie en hogere leeftijd hebben een verhoogd risico op een ernstig of persisterend beloop.7

4.1.3 Neoehrlichia mikurensis

Ook N. mikurensis is een tekenoverdraagbare bacterie die in Nederland voorkomt. De bacterie is obligaat intracellulair en heeft een duidelijk tropisme voor het vasculaire endotheel. N. mikurensis komt voor in teken en wilde knaagdieren in Europa en Azië. In Nederlandse teken is de bacterie eerder aangetoond en humane infecties zijn sinds 2010 in verschillende Europese landen beschreven.8

Het ziektebeeld wordt gekenmerkt door langdurige koorts en kan gepaard gaan met vasculaire complicaties. Vooral patiënten met B-celdepletie of een B-celmaligniteit lopen risico op een ernstig beloop.9

In 2025 werd in Nederland een humane infectie met N. mikurensis door middel van PCR vastgesteld. Deze detectie sluit aan bij eerdere Nederlandse en Europese aanwijzingen voor humane infecties en onderstreept dat N. mikurensis ook in Nederland als humane ziekteverwekker voorkomt.

4.1.4 Spiroplasma ixodetis

S. ixodetis is een zeldzaam, maar in Europa als emerging beschouwd tekengeassocieerd pathogeen. De bacterie behoort tot de Mollicutes en heeft geen celwand. Humane infecties zijn sinds de jaren '90 sporadisch beschreven en kennen een uiteenlopend klinisch beeld. Bij neonaten en prematuren zijn met name congenitaal verworven oculaire infecties beschreven, waaronder inflammatoir cataract, terwijl bij volwassenen acute systemische infecties met koorts zijn gerapporteerd.10,11 

In Europa zijn humane infecties in meerdere landen beschreven. In Zweden werden twee patiënten met een acute febriele ziekte en frequente tekenexpositie gediagnosticeerd met S. ixodetis.10 Daarnaast werden in een Europese multicenterstudie 18 kinderen met S. ixodetis-gerelateerde infantiele cataract en intra-oculaire ontsteking beschreven, afkomstig uit acht Europese landen, waaronder Nederland.11 In de Nederlandse casus werd Spiroplasma spp. aangetoond.

De combinatie van humane infecties in verschillende Europese landen en de aanwezigheid van Spiroplasma in teken suggereert dat humane infecties waarschijnlijk worden onderherkend. De epidemiologie en humane ziektelast zijn echter nog onvoldoende bekend.

4.1.5 Blootstelling aan meerdere tekenoverdraagbare pathogenen

Dat blootstelling aan verschillende tekenoverdraagbare pathogenen in Nederland voorkomt, blijkt ook uit onderzoek onder 525 natuur- en groenbeheerders. Serologische aanwijzingen voor blootstelling werden gevonden voor Borrelia burgdorferi s.l. (30,9%), A. phagocytophilum (16,4%), B. divergens (4,2%), spotted fever group Rickettsia spp. (6,5%) en B. microti (0,4%). Bij een deel van de deelnemers waren bovendien serologische aanwijzingen voor blootstelling aan meerdere pathogenen aanwezig.2

Deze bevindingen laten zien dat mensen die frequent aan teken worden blootgesteld niet alleen met Borrelia in aanraking kunnen komen, maar ook met andere tekenoverdraagbare pathogenen. Serologische aanwijzingen voor blootstelling betekenen daarbij niet zonder meer dat sprake is geweest van een actieve of gelijktijdige infectie.2

4.1.6 Mogelijk risico voor bloedtransfusies

Een afzonderlijk aandachtspunt is de mogelijke overdracht van sommige tekenoverdraagbare pathogenen via bloedtransfusie. Vooral voor Babesia is transfusietransmissie internationaal goed beschreven. Infecties kunnen asymptomatisch verlopen, waardoor ogenschijnlijk gezonde bloeddonoren de parasiet via bloedproducten kunnen overdragen. Dit is met name relevant voor ontvangers met een verminderde afweer, ouderen en personen met asplenie, bij wie een infectie ernstig kan verlopen.7

Ook voor N. mikurensis is transfusieveiligheid een aandachtspunt. Infecties kunnen asymptomatisch en langdurig persisteren. In Zuid-Zweden werd N. mikurensis bij 0,7% van 1006 bloeddonoren aangetoond; bij twee donoren bleef de PCR langdurig positief.12 In een recente studie onder bloeddonoren in Zuid-Noorwegen werd N. mikurensis-DNA bij 9,0% aangetoond.13 Deze percentages zijn niet zonder meer te vertalen naar andere donorpopulaties, maar laten zien dat asymptomatische infectie onder ogenschijnlijk gezonde bloeddonoren voorkomt.

Daarnaast is beschreven dat N. mikurensis de verwerking van bloedcomponenten kan overleven. Bestraling van trombocyten lijkt de levensvatbaarheid van de bacterie te verminderen, maar het is nog onbekend of hiermee het risico op transfusietransmissie volledig wordt weggenomen. Of transfusietransmissie van N. mikurensis daadwerkelijk plaatsvindt, hoe vaak dit voorkomt en wat de klinische consequenties zijn, is nog onvoldoende bekend.12

Voor Nederland ontbreken momenteel gegevens over de prevalentie van deze infecties onder bloeddonoren. Gericht onderzoek naar tekenoverdraagbare pathogenen in donorpopulaties kan daarom bijdragen aan de beoordeling van mogelijke transfusierisico's en aan het in kaart brengen van de betekenis hiervan voor de transfusieveiligheid.

4.1.7 Betekenis voor surveillance en diagnostiek

De beschikbare gegevens laten zien dat naast Lyme en TBE ook andere tekenoverdraagbare pathogenen in Nederland aanwezig zijn en incidenteel humane infecties veroorzaken. Humane casuïstiek, veterinaire en vectorgegevens en serologisch onderzoek wijzen gezamenlijk op blootstelling aan een breder spectrum van tekenoverdraagbare pathogenen dan op basis van de geregistreerde humane gevallen zichtbaar is.2

Voor de meeste van deze infecties ontbreken echter systematische gegevens over de humane incidentie. Het lage aantal geregistreerde gevallen kan daarom niet zonder meer worden geïnterpreteerd als een lage ziektelast.

De klinische presentatie van verschillende tekenoverdraagbare infecties overlapt bovendien sterk, terwijl specifieke diagnostiek niet altijd wordt ingezet. Een combinatie van humane en veterinaire surveillance, onderzoek naar blootstelling en gerichte diagnostiek kan helpen om de circulatie en humane betekenis van deze minder bekende tekenoverdraagbare zoönosen beter in beeld te brengen.

Literatuur:

  1. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), Anaplasmose
  2. Hoeve-Bakker, B. J.A., et al. Seropositivity to tick-borne pathogens in nature management workers in the Netherlands. Ticks and Tick-borne Diseases. 2025; 16(1): 102397
  3. Arts, J. J.G., et al., Humane granulocytaire anaplasmose: een inheemse tekenbeetziekte met potentieel ernstig beloop. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2026;170:D9072.
  4. Dieterman, E., et al., Emerging detection of human and equine granulocytic anaplasmosis in the Netherlands: a one health perspective. Poster presentatie NVMM April 2026. 
  5. Lesiczka, P. M., et al., European human granulocytic anaplasmosis is caused by a subcluster of Anaplasma phagocytophilum Ecotype I. Current research in parasitology and vector-borne diseases.2025; 24(8):100324
  6. Spoorenberg, N., et al., Autochthonous Human Babesiosis Caused by Babesia venatorum, the Netherlands. Emerging Infectious Diseases. 2024; 30(9):1934–1938
  7. Drews, S. J., et al., Transfusion-transmitted Babesia spp.: a changing landscape of epidemiology, regulation, and risk mitigation. Journal of Clinical Microbiology. 2023; 61(10):e01268-22.
  8. Jahfari, S., et al., Prevalence of Neoehrlichia mikurensis in ticks and rodents from North-West Europe. Parasites & Vectors. 2012; 5:74.
  9. Wennerås, C., Infections with Candidatus Neoehrlichia mikurensis—microbiology, clinical presentation and treatment. Current Opinion in Infectious Diseases. 2015; 28(6):502–507.
  10. Eimer, J., et al., Spiroplasma ixodetis Infections in Immunocompetent and Immunosuppressed Patients after Tick Exposure, Sweden. Emerging Infectious Diseases. 2022; 28(8):1681–1685.
  11. Van Os. L.,et al., Spiroplasma Infantile Cataract Group. Multicenter Retrospective Study of Spiroplasma ixodetis Infantile Cataract in 8 Countries in Europe. Emerging Infectious Diseases. 2025; 31(6):1081–1089.
  12. Labbé Sandelin L., et al., Detection of Neoehrlichia mikurensis DNA in blood donors in southeastern Sweden. Infectious Diseases. 2022; 54(10):748–759.
  13. Quarsten, H., et al., Tickborne Neoehrlichia mikurensis in the Blood of Blood Donors, Norway, 2023. Emerging Infectious Diseases. 2025; 31(11)..
Auteurs: Karen Kerkhof, Eric Doppenberg, Daan Notermans

4.2 Humane Mycobacterium marinum infecties in Nederland

In 1926 werd voor het eerst een uitbraak van huidafwijkingen bij vissen in het aquarium van de dierentuin in Philadelphia beschreven. De verwekker bleek een mycobacterie en kreeg de naam Mycobacterium marinum.1 Deze bacterie is genetisch verwant aan Mycobacterium tuberculosis en deelt ook belangrijke virulentiefactoren met M. tuberculosis.2 Dat verklaart ook dat deze mycobacterie ook ziekte bij de mens kan veroorzaken. In de decennia na de ontdekking werden dan ook de eerste humane infecties al beschreven, in het bijzonder bij mensen die aquaria hebben of anderszins met vissen in contact komen en bij zwemmers in buitenbaden.3 Met het toenemend chloreren van zwemwaters is deze laatste bron van infecties nauwelijks nog relevant.

Bij de mens veroorzaakt Mycobacterium marinum met name huidinfecties. De diagnose wordt gesteld op het klinisch beeld, blootstelling aan een bron en kweek (eventueel PCR) en histologie van een huidbiopt. De histologie toont klassiek een granulomateuze ontsteking. De kweek gebruikt dezelfde technieken als voor tuberculose, met het belangrijke verschil dat de kweken op 30 graden Celsius geïncubeerd moeten worden; de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie benoemen dit ook expliciet.

Direct contact met vissen is de belangrijkste bron van infectie en bij ~90% van de mensen met M. marinum infecties is er duidelijk blootstelling aan, vooral tropische, vissen of aquaria geweest. De handen en onderarmen zijn dus het meest frequent aangedaan en de meeste infecties zijn gerelateerd aan het onbeschermd (met blote handen) schoonmaken van aquaria.3,4 Om infecties te voorkomen is het dus van belang om werk met vissen, visproducten en aquaria altijd met handschoenen uit te voeren; als andere lichaamsdelen in contact kunnen komen zijn mogelijk extra maatregelen nodig. Omdat het primair een pathogeen van vissen is, is de bacterie aangepast op overleven bij lagere temperaturen. Dit verklaart ook waarom de infectie nauwelijks uitbreidt naar de warmere delen van het menselijk lichaam.

Op basis van de ernst worden deze verdeeld in drie stadia. Het eerste stadium is een lokale infectie van de huid op de plek van inoculatie; vaak betreft dit een eerdere verwonding die als ‘porte d’entree’ dient voor de mycobacterie. Die eerste huidafwijking is vaak rood en licht gezwollen en kan opengaan en een zweer vormen. Het tweede stadium is het gevolg van lokale verspreiding van de infectie door de lymfebanen. Omdat dit verspreidingspatroon lijkt op dat van de Sporothrix schimmel wordt dit sporotrichoïde verspreiding genoemd. Er ontstaan dan vlakbij de eerste afwijking nieuwe afwijkingen die ook weer eenzelfde uiterlijk hebben (zie Figuur 4.2 A en 4.2B). Het derde stadium is zeldzaam en gaat gepaard met verdere verspreiding naar diepere structuren (pezen, gewrichten) of zelfs verspreiding via de bloedbaan. Deze zeer ernstige infecties worden vrijwel uitsluitend gezien bij mensen met een ernstige immuunstoornis.3,4 

Figuur 4.2 A: Mycobacterium marinum infectie met meerdere via het lymfesysteem verspreide afwijkingen op de hand. 4.2 B: Ernstige M. marinum infectie met uitbreiding over de hele onderarm, bij een ernstig immuungecompromitteerde man.

afbeeldingen

Hand van persoon met Mycobacterium marinum infectie
Arm van persoon met Mycobacterium marinum infectie

De antibiotische behandeling kan in de eerste fase nog bestaan uit één antibioticum, waarbij met name doxycycline of het verwante minocycline veel gebruikt worden. Zodra er meerdere huidafwijkingen zijn wordt gekozen met twee antibiotica te behandelen, waarbij combinaties van minocycline met azitromycine of combinaties van ethambutol en azitromycine veel worden gebruikt. Bij verspreiding via de bloedbaan of direct naar bot, gewrichten of pezen wordt rifampicine als derde middel aan de behandeling toegevoegd. De uitkomsten van behandeling zijn zeer goed, falen van behandeling of snelle terugkeer van de infectie treedt op bij minder dan 10% van de mensen die adequaat behandeld worden.3,4

Sinds vijf jaar hebben het RIVM en het Radboudumc de krachten gebundeld in een expertiselaboratorium voor niet-tuberculeuze mycobacteriën (NTM). Hierin worden alle NTM isolaten, inclusief M. marinum, op één centrale plek geïdentificeerd en getest op antibiotica-resistentie. Deze samenwerking heeft eerder ook al voor het eerst aangetoond hoeveel humane M. marinum infecties er in Nederland met kweken bewezen zijn. De incidentie in Nederland was zeer stabiel en bedroeg 0,15 per 100.000 inwoners per jaar, over de periode 2011-20183; er zijn vanuit de data van het expertiselaboratorium en kliniek geen signalen dat de incidentie sindsdien is toegenomen.4 Momenteel worden er jaarlijks dus 30 tot 40 nieuwe gevallen van M. marinum infecties met kweek bevestigd in Nederland.

Om de verspreiding van M. marinum onder vissen in kwekerijen en (groot)handel beter in kaart te brengen is er recent een consortium opgericht met o.a. het RIVM, Wageningen University & Research, het Radboudumc en veldpartijen in de kweek en distributie van sier- en consumptievissen. Een belangrijk onderwerp hierbij is ook het gebruik van antibiotica in de viskwekerijen. Het is hier van belang om middelen die later in de M. marinum behandeling bij mensen een rol kunnen hebben actief te vermijden.

Literatuur:

  1. Aronson, J.D., et al., Spontaneous tuberculosis in salt water fish. Journal of Infectious Diseases. 1926; 39(4):315-320.
  2. Abdallah, A.M., et al., Mycobacterial secretion systems ESX-1 and ESX-5 play distinct roles in host cell death and inflammasome activation. Journal of Immunology. 2011; 187(9):4744-53. 
  3. Hendrikx, L., et al., Treatment and outcome of culture-confirmed Mycobacterium marinum disease. Open Forum Infectious Diseases. 2022; 9(4):ofac077.
  4. Peeters, W., et al., Clinical characteristics and management of non-Tuberculous Mycobacterial skin and soft tissue infections: A retrospective cohort study. Open Forum Infectious Diseases. 2026; 13(1):ofaf788.
Auteur: Jakko van Ingen 

4.3 Coxiella burnetii bij bosrendieren in een dierentuin

Naar aanleiding van vier abortusgevallen begin juni 2025 werd de Q-koorts bacterie (Coxiella burnetii) aangetoond bij een groep gehouden bosrendieren in een dierentuin in Nederland. Dit is de eerste beschrijving van abortus veroorzaakt door C. burnetii in bosrendieren. 

4.3.1 Casusverloop 

Tussen eind april en juni 2025 aborteerden vier drachtige bosrendieren (Rangifer tarandus fennicus). Eén drachtig dier kreeg een levend kalfje, dit kalfje toonde wat zwak bij de geboorte maar was verder gezond. De groep bosrendieren maakte deel uit van een kudde van tien bosrendieren, die worden gehouden in een buitenverblijf. De bosrendieren maken onderdeel uit van het Ex situ Program (EEP) dit is een Europees managementprogramma voor (bedreigde) diersoorten en staan op de IUCN lijst voor bedreigde diersoorten als kwetsbare diersoort.  

De dierenarts van de dierentuin stuurde een geaborteerd bosrendierkalf en placenta in voor verder onderzoek. Bij gelijktijdig bloedonderzoek van de bosrendieren dat bij Royal (Gezondheidsdienst voor Dieren) werd uitgevoerd, werden bij het moederdier antilichamen tegen Q-koorts aangetoond. Vervolgens zijn vaginaal swabs van individuele dieren onderzocht bij GD en hierbij werd C. burnetii aangetoond met PCR. De dierentuindierenarts heeft vervolgens bij de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) melding gemaakt van deze bevinding. Hierna heeft een specialistenteam de dierentuin bezocht en zijn er ambtelijke monsters genomen. Deze monsters zijn onderzocht bij het referentielaboratorium Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) en bevestigden de aanwezigheid van C. burnetii met PCR in vaginaal swabs. 

3.3.2 Diagnostiek 

De placenta werd ingestuurd waarin ook C. burnetii werd aangetoond met PCR. Aanvullend pathologisch onderzoek van de placenta toonde positieve immunohistochemische kleuring (IHC) van C. burnetii, wat een infectie met C. burnetii zeer aannemelijk maakte.1,2 Vanuit de vaginaal swabs en de placenta is bij (Wageningen Bioveterinary Research) vervolgens C. burnetii geïsoleerd en er is whole genome sequencing (WGS) uitgevoerd. Door het genoom van dit isolaat te vergelijken met de uitbraakstam die werd gevonden in geiten tijdens de Nederlandse Q-koortsuitbraak (2007-2010) bleek dat er geen overeenkomst was. Vergelijking met WGS data en Multilocus Variable number Tandem repeat Analyis (MLVA) lieten zien dat de stam die bij de bosrendieren gevonden is, het meest overeenkomt met een stam die eerder bij runderen is gevonden en mogelijk minder virulent is dan de geitenstam uit 2007-2010.3,4

3.3.3 Maatregelen 

De dierentuin heeft direct maatregelen genomen om uitscheiding en blootstelling van de Q-koorts bacterie te voorkomen c.q. beperken. Het grootste risico op uitscheiding van de bacterie bij geiten en schapen is via geboorteproducten; zoals placenta, vruchtwater en foetus.1,2  Maatregelen die op advies van deskundigen genomen zijn door het dierenpark zijn onder andere; afvoer van kadavers (inclusief placenta’s) voor destructie, desinfectie van de locatie waar deze zijn gevonden, vaccinatie en behandeling van de bosrendieren en het preventief ruimen van een nog drachtig bosrendier. Overige gevoelige diersoorten aanwezig in de dierentuin werden ook preventief gevaccineerd tegen Q-koorts. Daarnaast hebben medewerkers van de dierentuin gebruik gemaakt van persoonlijke beschermingsmiddelen. De groep bosrendieren is afgeschermd van het publiek gedurende drie maanden.

De (Gemeentelijke gezondheidsdiensten) heeft in samenwerking met het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) een risicoanalyse uitgevoerd en medewerkers die contact hebben gehad met de dieren zijn door de GGD gescreend middels serologie. Bij medewerkers met klachten passend bij een Q-koorts infectie werd aanvullend een PCR verricht. De resultaten toonden geen acute Q-koorts infectie aan. Ook is het bredere publiek geïnformeerd en is opgeroepen om de huisarts te consulteren wanneer zich ziekteverschijnselen zouden voordoen. Daarnaast zijn ook huisartsen in de omgeving en de aangrenzende Duitse en Belgische regio’s geïnformeerd. Er zijn geen gevallen van Q-koorts gemeld. Op basis van bovenstaande bevindingen en omdat Q-koorts bij mensen binnen Nederland meldingsplichtig is, is geconcludeerd dat de uitbraak van Q-koorts bij de bosrendieren niet geleid heeft tot humane Q-koorts.

3.3.4 Vervolgonderzoek 

De vaststelling van C. burnetii bij een nieuwe gastheersoort op een publieke locatie leidde tot bezorgdheid bij zowel veterinaire als volksgezondheidsautoriteiten, met name gezien de historische Nederlandse Q-koortsuitbraak. Er is nog veel onbekend over virulentie en verschillen tussen de stammen van C. burnetii die voorkomen bij verschillende diersoorten. Q-koorts werd voorheen gezien als een beroepsziekte en ondanks dat beroepen die in contact komen met herkauwers meer risico lopen zijn ook uitbraken van Q-koorts onder de bevolking bekend. De humane Q-koorts uitbraken die zijn beschreven, zijn gerelateerd aan geiten of schapen.1

C. burnetii is een ubiquitaire bacterie die in vele verschillende diersoorten kan voorkomen, maar runderen, schapen en geiten vormen de belangrijkste dierlijke reservoirs. Er is bij deze casus geen bronopsporing uitgevoerd bij overige diersoorten. Wel is gekeken naar de gezondheidsstatus van deze bosrendieren, er waren eerder geen vruchtbaarheidsproblemen gezien bij deze groep dieren. Daarnaast werden overige herkauwers in de dierentuin uit voorzorg gevaccineerd en is extra aandacht besteed aan het voorkomen van gezondheidsproblemen bij andere diersoorten (met name vruchtbaarheidsproblemen o.a. abortus), dit werd niet waargenomen. Tot zover lijkt dit een losstaand geval binnen de dierentuin. Op dit moment doet het WBVR (in samenwerking met DWHC) onderzoek naar voorkomen van C. burnetii in hertachtigen in Nederland. 

3.3.5 Wetgeving veterinair

Q-koorts is veterinair een meldingsplichtige dierziekte bij een afwijkend aantal abortussen bij schapen en geiten of bij een positieve laboratoriumuitslag bij schapen, geiten en runderen. Naar aanleiding van deze casus is de meldplicht bij dieren nu uitgebreid naar Cervidae (hertachtigen) en Camelidae (kameelachtigen).

Literatuur:

  1. Van den Brom, R., et al., Coxiella burnetii infections in sheep or goats: An opinionated review. Veterinary Microbiology. 2015; 181(1-2):119-129
  2. Roest, H.I.J., et al., Clinical microbiology of Coxiella burnetii and relevant aspects for the diagnosis and control of the zoonotic disease Q fever. Veterinary Quarterly. 2013; 33(3): 148-160 
  3. Kuley, R. et al. First complete genome sequence of the Dutch veterinary Coxiella burnetii strain NL3262, originating from the largest global Q fever outbreak, and draft genome sequence of its epidemiologically linked chronic human isolate NLhu3345937 Genome Announcements. 2016; 4(2)
  4. Hemsley C.M., et al., MLVA and com1 genotyping of Coxiella burnetii in farmed ruminants in Great Britain. Veterinary Microbiology. 2023;277:109629
Auteurs: Marleen Kannekens-Jager , Ad Koets, Dré Kampfraath, René van den Brom, Christine Kaandorp, Senta Janssen, Lenny Engelen, Amanja Verhaegh-Haasnoot, Marloes Heijne

4.4 Bataivirus opgedoken in muggenmonitoring Zuid-Holland

Binnen de One Health Westnijlvirus Surveillance is in 2025 Batai virus (BATV) in Nederland aangetroffen. Bij het onderzoeken van gepoolde muggenmonsters uit de Eendragtspolder in Zuid-Holland bleken drie pools positief: één sterk positief (10 vrouwtjes van de soort Culiseta annulata) en twee zwak positief (telkens één vrouwtje, van respectievelijk Culiseta annulata en Anopheles claviger). Detectie van BATV in Nederland is eenmaal eerder gerapporteerd.1

BATV is een zoönotisch orthobunyavirus dat door veel verschillende soorten steekmuggen kan worden overgedragen. Het virus komt voor in Azië en delen van Afrika, en is af en toe ook al aangetroffen in verschillende Europese landen. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het virus zich in Europa verspreidt en ziekte kan veroorzaken in zowel dieren als mensen: het is namelijk al gevonden in muggen, herkauwers, vogels én mensen.2

De afgelopen jaren is bij koeien, schapen en geiten in Europa onderzocht of ze antistoffen tegen het virus hebben. Daaruit kwam naar voren dat tot 46% van het vee antistoffen heeft, wat erop wijst dat ze ooit besmet zijn geweest, maar zonder klinische verschijnselen.3 Bij mensen lag dat percentage eind vorige eeuw nog veel lager, behalve in Zuid-Slowakije.2,4 Mogelijk is er in de afgelopen decennia iets veranderd waardoor BATV zich gemakkelijker is gaan verspreiden. Over de gevolgen voor wilde dieren is verder nog weinig bekend.

Dat dit virus juist naar voren kwam binnen een One Health surveillance gericht op het Westnijlvirus, laat goed zien hoe belangrijk geïntegreerde surveillance is: alleen zo houden we vinger aan de pols bij nieuwe virussen en krijgen we zicht op hun daadwerkelijke impact.

Literatuur:

  1. Dutuze, M.F., et al., A review of Bunyamwera, Batai, and Ngari Viruses: Understudied Orthobunyaviruses with potential One Health implications.  Front. Vet. Sci. 2018; 5:69. 
  2. Mansfield, K.L., et al., Batai Orthobunyavirus: An emerging mosquito-borne virus in Europe. Viruses. 2022;  14(9):1868
  3. Cichon, N., et al., Serological and molecular investigation of Batai Virus infections in Ruminants from the state of Saxony-Anhalt, Germany, 2018. Viruses. 2021; 13:370
  4. Lundstrom, J.O., Mosquito-borne viruses in Western Europe: a review. Journal of Vector Ecology. 1999; 24:1–39.
Auteurs: Marieta Braks, Hein Sprong, Arjan Stroo

4.5 Opisthorchis felineus: een vis-gerelateerde zoönotische parasiet

Van vossen, wolven, wasbeerhonden en wasberen die worden ingestuurd naar het Dutch Wildlife Health Centre, onderzoekt het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) de darmen op het voorkomen van specifieke parasieten. In november 2025 werd bij één van deze vossen bij toeval een trematode (zuigworm) gevonden (Figuur 4.5.1). Deze vos was afkomstig uit Oosterzee aan het Tjeukemeer in Friesland. Op basis van microscopisch en moleculair onderzoek bleek dat het om Opisthorchis felineus ging. 

Figuur 4.5.1 Opisthorchis felineus

O. felineus is een parasiet die via consumptie van rauwe vis allerlei zoogdieren, waaronder mensen, kan besmetten. Zij zijn dan eindgastheer. De levenscyclus van O. felineus loopt via Bythinia waterslakken en karperachtige vissen als opeenvolgende tussengastheren in zoetwater (zie: CDC - DPDx - Opisthorchiasis). De volwassen worm ontwikkelt zich in de galgangen van de eindgastheer en de wormen kunnen vervolgens, afhankelijk van het aantal, maagdarmklachten veroorzaken door ontstekingsreacties en verstopping. Infectie bij de eindgastheer kan effectief behandeld worden met ontwormingsmiddelen met praziquantel.1 

Dat deze parasiet in Nederland voorkomt is al in 1959 beschreven2, maar het is onbekend hoeveel en waar het voorkomt. Bij vossenonderzoek in Nederland in 1984 en 2014 werd deze worm niet gevonden3,4 maar het uitgevoerde onderzoek van de darm was niet de optimale methode voor het aantonen van Opisthorchis. In Brandenburg (Duitsland) werd bij leveronderzoek 6,7% van de vossen positief bevonden.5 Uit navraag bij de Faculteit Diergeneeskunde, blijkt het dat het bij katten in de kliniek af en toe wordt gezien, hoewel het dan vaak bij een waarschijnlijkheidsdiagnose blijft op basis van het bloedbeeld (eosinofilie en verhoogd gamma-GT). 

Hoewel infecties bij mensen vooral worden gerapporteerd in Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne en Azië, zijn er in de periode 2003-2022 in Italië verschillende uitbraken gerelateerd aan in restaurants geserveerde gerechten bereid met rauwe zeelt gerapporteerd. Rauw te consumeren vis hoort volgens Verordening (EU) nr. 1276/2011 te worden ingevroren, maar O. felineus en andere trematoden zijn daar minder gevoelig voor dan andere parasieten. Ook roken, zouten en marineren is vaak niet volledig effectief. Echter, in Nederland ligt de totale visconsumptie relatief laag en rauwe zoetwatervis wordt niet of nauwelijks gegeten. In de risicobeoordeling visketen van de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) in 2022 was de conclusie: Hoewel O. felineus in Nederland inheems lijkt te zijn, wijst de afwezigheid van autochtone patiënten op een verwaarloosbaar voedselveiligheidsrisico.7 

Toch betekent het voorkomen van O. felineus in Nederland dat het risico voor specifieke groepen hoger kan zijn en bij veranderende consumptiegewoonten kan toenemen. Denk aan consumptie van zoetwatervis bij bijvoorbeeld Oekraïense vluchtelingen en deelnemers aan bushcraft en survival trainingen. Om inzicht te verkrijgen in de prevalentie en de verspreiding zou onderzoek nodig zijn bij karperachtigen en eventueel carnivoren. Daarnaast is het belangrijk dat artsen zich ervan bewust zijn dat het mogelijk is deze infectie in Nederland op te lopen.

Literatuur:

  1. Centres for Disease Control and Prevention. Clinical overview of Opistorchis Liver Flukes. Atlanta: CDC; 2024
  2. Swierstra, D., et al., Parasites of animals in the Netherlands. Survey of identified parasites of domestic and free-living animals and fecal examinations in the years 1948-1958 inclusive. Tijdschrift voor Diergeneeskunde. 1959; 84:892-900
  3. Borgsteede, F.H.M., et al., Helminth parasites of wild foxes (Vulpes vulpes L.) in the Netherlands. Z. Parasitenkd. 1984; 70: 281-285
  4. Franssen, F., et al., Increase in number of helminth species from Dutch red foxes over a 35-year period. Parasites and Vectors. 2014; 7:166
  5. Schuster, R., et al., Liver fluke (Opisthorchiidae) findings in red foxes (Vulpes vulpes) in the eastern part of the Federal State Brandenburg, Germany – a contribution to the epidemiology of opisthorchiidosis. Parsitology Research. 1999; 85: 142–146
  6. Pozio, E., et al., Opisthorchis felineus, an emerging infection in Italy and its implication for the European Union. Acta Tropica. 2013; 126(1):54-62
  7. NVWA. Advies van BuRO Risico's voor mens, dier en natuur in de visketen. Utrecht: NVWA; 2022
Auteurs: Marieke Opsteegh, Laura Derks, Denise Hoek-van Deursen, Wesley Mocking, Miriam Maas, Jooske IJzer