3.1 Chikungunya

3.1.1 Hoofdpunten

  • In 2025 zijn er 24 chikungunyavirus (CHIKV) infecties geregistreerd in de Virologische Weekstaten, een database met vrijwillig ingevoerde positieve testuitslagen van een aantal (ongeveer twintig) medisch microbiologische laboratoria in Nederland. Deze registraties kunnen allen als reis-gerelateerd aangemerkt worden.

3.1.2 Achtergrond

Chikungunya is een infectieziekte veroorzaakt door het chikungunya virus (CHIKV), een alphavirus dat wordt overgedragen tussen mensen door de gelekoortsmug (Aedes aegypti) en de Aziatische tijgermug (Aedes albopictus). Mensen zijn de belangrijkste reservoirs, zoönotische infecties (reservoir: primaten1) treden af en toe op in Afrika. Gemiddeld 3 tot 7 dagen na de beet van een geïnfecteerde mug kunnen ziekteverschijnselen optreden. In de acute fase van de ziekte treedt vaak plotselinge hoge koorts op, maar ook ernstige gewrichtspijn, hoofdpijn, spierpijn, huiduitslag en verschillende oogaandoeningen waaronder conjunctivitis. Deze klachten kunnen in een milde maar ook zeer ernstige vorm voorkomen, met name bij pasgeborenen, oudere mensen of mensen met onderliggend lijden. Deze acute fase gaat doorgaans na 1 tot 3 weken over. De gewrichtspijn kan maanden tot zelfs jaren aanhouden. In Nederland is het chikungunya-vaccin Ixchiq (VLA‑1553, door Valneva) inmiddels beschikbaar en geregistreerd voor personen van 12 tot 64 jaar.2 De Landelijke Coördinatie Reizigersvaccinatie (LCR) heeft op 21 juli 2025 een protocol chikungunya gepubliceerd. Hierin is opgenomen dat er een vaccinatie-advies tegen CHIKV is opgenomen voor landen met een uitbraak (ongeacht reisduur). In 2025 betreft dit La Reunion, Mayotte en Madagaskar. Daarnaast kan voor endemische landen vaccinatie worden overwogen bij personen met een minimale reisduur van zes maanden. 

3.1.3 Epidemiologische situatie

 De vectorsoorten (zie Box 1) worden soms geïntroduceerd in Nederland, maar hebben zich niet gevestigd in Europees Nederland; autochtone overdracht van chikungunya komt niet voor en daarmee is het een importziekte (reizigers). CHIKV infecties zijn in Europees Nederland niet meldingsplichtig. In de Caribische Rijksdelen komt één van de vectoren (Ae. aegypti) wel endemisch voor, infecties met CHIKV zijn dan ook meldingsplichtig in zowel Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), als Aruba en Sint Maarten. Voor Curaçao geldt dat chikungunya-meldingen onderdeel zijn van de arbovirus surveillance voortkomend uit de verplichting omtrent de IHR (zie 3.2.4). In de jaren 2013-2015 is er sprake geweest van een uitbraak van chikungunya in het Caribisch gebied3,4,5 ,sinds die tijd zijn er sporadische meldingen geweest. 

Sinds 2016 wordt ook het aantal CHIKV infecties in de Virologische Weekstaten gemonitord welke alleen het aantal meldingen van infecties in Europees Nederland betreft. In 2025 werden 24 CHIKV detecties in de Weekstaten geregistreerd ten opzichte van 20 in 2024, 12 in 2023 en 10 meldingen in 2022, allen zijn naar alle waarschijnlijkheid reis-gerelateerd. Het aantal gemelde infecties in 2025 is hoger dan het gemiddelde van 17,5 meldingen in de periode 2016-2019, maar is nog in lijn met de spreiding in deze periode (n= 11-23) (zie Figuur 3.1.1). In 2025 hebben ook twee landen in Europa autochtone gevallen van chikungunya-virusziekte gemeld: Frankrijk (788) en Italië (384). Vooral de meldingen in Frankrijk zouden een gevolg kunnen zijn van introducties van CHIKV vanuit La Réunion, een Frans overzees gebied, waar gedurende 2025 een grote chikungunya uitbraak gaande was. De lichte stijging van casuïstiek in Nederland in 2025 zou een gevolg kunnen zijn van reizigers terugkomend uit Suriname, waar vanaf december 2025 sprake was van een uitbraak van CHIKV in grote delen van het land, waaronder de hoofdstad Paramaribo. 

Figuur 3.1.1. Aantal gemelde CHIKV infecties per jaar, 2016-2025 (bron: Virologische Weekstaten).

Literatuur: 

  1. (European Centre for Disease Prevention and Control), Factsheet for health professionals about chikungunya virus disease
  2. Chikungunyavaccinatie | Factsheet | LCI-richtlijnen
  3. Deilgat, M., et al., Chikungunya outbreak in the Caribbean, 2013-2014. Canada Communicable Disease Report. 2014; 40(2)
  4. Henry, M., et al., Chikungunya virus outbreak in Sint Maarten, 2013-2014. Rev Panam Salud Publica. 2017; 41:e61
  5. Doran, C., et al., The clinical manifestation and the influence of age and comorbidities on long-term chikungunya disease and health-related quality of life: a 60-month prospective cohort study in Curaçao. BMC Infectious Diseases. 2022; 22:948
Auteurs: Gijs Klous, Marieta Braks

3.2 Dengue

3.2.1 Hoofdpunten

  • Voor Europees Nederland geldt dat in 2025 in de Virologische Weekstaten 312 denguevirus (DENV) infecties werden geregistreerd. Hiermee is het aantal infecties lager dan vorig jaar (n=544), maar nog steeds aanzienlijk hoger is dan in de jaren voor de COVID-19 pandemie. Deze infecties zijn naar alle waarschijnlijkheid allen reis-gerelateerd.

3.2.2 Achtergrond

DENV, een orthoflavivirus, is de veroorzaker van dengue, ook wel knokkelkoorts genoemd. DENV circuleert tussen mensen en muggen zonder tussenkomst van een dierreservoir en wordt daarom niet als een zoönose beschouwd. Besmetting met DENV vindt plaats via de beet van een besmette Aedes-mug, vooral de gelekoortsmug (Aedes aegypti) en de Aziatische tijgermug (Aedes albopictus). Voor meer informatie over de vectoren, zie Box 1. De incubatieperiode voor DENV infecties ligt tussen de 3-14 dagen (meestal 4-7). Het merendeel van de DENV infecties (40-80%) verloopt zonder ziekteverschijnselen. Sinds 2023 is er in Nederland een dengue vaccin beschikbaar voor reizigers naar endemische gebieden. 

3.2.3 Epidemiologische situatie Europees Nederlan

De vectorsoorten (zie Box 1) worden soms geïntroduceerd in Nederland, maar hebben zich niet gevestigd in Europees Nederland. Dengue is daarom primair een importziekte (reizigers). Het precieze aantal geïmporteerde infecties in Nederland is onduidelijk, aangezien de ziekte alleen meldingsplichtig is voor Caribisch Nederland. In Europees Nederland wordt het aantal DENV infecties gemonitord in de Virologische Weekstaten. Voor de rapportage over (Europees) Nederland worden registraties in de Weekstaten van Bonaire geëxcludeerd.

In 2025 werden 312 denguevirus infecties geregistreerd in de Virologische Weekstaten, dit waren hoogstwaarschijnlijk alleen reizigers. Het aantal meldingen in 2025 ligt fors lager dan vorig jaar (n=544), maar nog steeds hoger dan in de jaren voor de COVID-19 pandemie (2016-2019; spreiding: 52-225) (zie Figuur 3.2.1). Dit is waarschijnlijk gerelateerd aan de voortdurende mondiale epidemie van dengue die sinds 2023 gaande is (met name in Zuid-Amerika). Wereldwijd zijn er sinds 2023 grote uitbraken van dengue geweest, voornamelijk in Azië, Zuid-Amerika, de Cariben en Afrika, maar ook in Europa was er sprake van beperkte lokale transmissie, in Frankrijk, Italië en Portugal met in totaal 35 autochtone infecties in de (Europese unie)/EEA in 2025.1 De wereldwijde toename in incidentie kan een verklaring zijn voor het toegenomen aantal dengue infecties in de Virologische Weekstaten.

3.2.4 Epidemiologische situatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk

Dengue is een meldingsplichtige ziekte in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), Aruba en Sint Maarten. Voor Curaçao geldt dat DENV meldingen onderdeel zijn van de arbovirus surveillance voortkomend uit de verplichting omtrent de IHR, (zie 3.2.4). Sinds week 40, 2023, is er naar aanleiding van een waarschuwing van de WHO in juli 20232, sprake van geïntensifieerde surveillance voor DENV binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk. De informatie hieronder is eigendom van de publieke gezondheidsdiensten in de Caribische Rijksdelen, omdat er geen toestemming is voor het delen van precieze aantallen worden in onderstaande situatieschetsen enkel gemiddelden genoemd en zijn er geen figuren gegenereerd.

3.2.4.1 Openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Voor de Openbare lichamen geldt sinds 2014 een meldplicht voor DENV-infectie volgens de Nederlandse Wet publieke gezondheid. In de meldingen wordt onderscheid gemaakt tussen ‘bevestigde’ en ‘waarschijnlijke’ infecties. Bevestigde cases zijn in dit geval personen waarbij serologie voor NS-1 eiwit, een indicatief eiwit voor een dengue infectie, positief is. Waarschijnlijke cases zijn personen waarbij NS-1 niet meer aan te tonen is, maar waar wel IgM tegen dengue is aangetoond middels serologie. De beschrijving van de situatie per eiland hieronder is gebaseerd op de laboratoriumuitslagen voor bevestigde en waarschijnlijke patiënten, gemeld aan de publieke gezondheidsdiensten op de Openbare lichamen.

Bonaire

In 2025 was er sprake van een verhoogde circulatie van dengue op Bonaire. Er was geen sprake van een epidemie omdat de toename in meldingen geen epidemisch verloop betrof, met een plotselinge snelle stijging in casuïstiek. De toename in casuïstiek begon vanaf week 48, 2024 en was ten einde in week 25, 2025. Dit resulteerde in de piekperiode (week 1 tot en met week 14 2025, januari tot april) tot een gemiddelde van 17 dengue meldingen per week, met op het hoogtepunt 26 meldingen (waarvan 21 bevestigde patiënten) in één week. Na week 24, 2025 namen de aantallen meldingen geleidelijk af tot sporadisch enkele meldingen per week. 

Sint Eustatius

Op Sint Eustatius zijn er na de uitbraak van 2023-2024 vanaf week 26, 2024 tot eind 2025 geen meldingen meer geweest van dengue. 

Saba

Vanaf Saba werden enkele denguepatiënten gemeld in 2025. Het betrof een enkel familiecluster waarvan de indexpatiënt de infectie zeer waarschijnlijk heeft opgelopen buiten Saba. 

3.2.4.2 CAS-landen

De CAS-landen Aruba en Sint Maarten hebben een meldplicht voor dengue opgenomen in de lokale wetten voor publieke gezondheid (Aruba, wet van 2019, Sint Maarten, wet van 2016). Voor Curaçao geldt dat dengue niet is opgenomen als meldingsplichtige ziekte in de lokale wet publieke gezondheid (wet van 1921). In het kader van de Internationale Gezondheid Regulaties van de WHO3 (International Health Regulations: IHR) dient er echter wel surveillance voor arbovirussen, waaronder DENV, operationeel te zijn. Deze wetten en de IHR maken dus dat er op alle eilanden in het Nederlands Caribisch gebied een zeker mate van meldplicht voor dengue geborgd is.

Curaçao

Op Curaçao was er vanaf week 42, 2024 een toename van het aantal positieve denguetesten. Dit zette door in 2025 met een verhoogde circulatie van DENV op het eiland zonder epidemisch verloop. Er werden in de periode week 1 tot en met week 25, 2025 gemiddeld vijf dengue meldingen per week gedaan, met op het hoogtepunt elf meldingen in één week (acht bevestigde meldingen). 

Aruba

Aruba rapporteerde evenals in 2023 en 2024, enkele laboratorium bevestigde cases in 2025. Daarom kan de situatie over 2025 voor Aruba aangeduid worden als enkele sporadische meldingen.

Sint Maarten

Op Sint Maarten was er evenals op Aruba in 2025 sprake van een situatie met enkele sporadische meldingen. Ook hier werden in 2025 slechts enkele laboratorium bevestigde cases geregistreerd.  

Figuur 3.2.1 Aantal gemelde dengue virus infecties per jaar, 2016-2025 (bron: Virologische Weekstaten).

Literatuur: 

  1. (European Centre for Disease Prevention and Control), Historical data on local transmission of dengue in the EU/EEA, 2010-2024
  2. WHO, Disease Outbreak News, Dengue, the region of the Americas, 19-07-2023
  3. WHO, International Health Regulations, Third Edition, 2005
Auteurs: Gijs Klous, Marieta Braks

3.3 Gele koorts

3.3.1 Hoofdpunten

  • Er zijn in 2025 geen gele koorts virus (YFV) infecties vastgesteld in Nederland.

3.3.2 Achtergrond

Gele koorts (yellow fever) is een muggenoverdraagbare infectieziekte veroorzaakt door Yellow Fever virus (YFV), een orthoflavivirus. Bij één op de vijf mensen die besmet worden met YFV ontstaan ziekteverschijnselen, die variëren van milde griep tot hoge koorts met bloedingen. YFV is endemisch in delen van Afrika en Zuid-Amerika, en is een tussen mensen overgedragen infectieziekte én een zoönose. Bij de sylvatische cyclus vindt overdracht van YFV plaats tussen niet-menselijke primaten en de muggensoorten Haemagogus spp. en Sabethes spp. in Zuid Amerika en Aedes africanus in Afrika. Spill-over kan plaatsvinden naar een urbane cyclus, waarbij de gelekoortsmug Ae. aegypti YFV gaat overdragen van mens op mens. Binnen de (Europese unie)/EEA bestaan gevestigde populaties van deze muggensoort op Madeira en Cyprus. Tegen YFV bestaat een veilig en goedwerkend vaccin dat levenslange bescherming biedt.

3.3.3 Epidemiologische situatie

In Nederland is YFV meldingsplichtig en tot nu toe driemaal vastgesteld als importziekte: in 2017 bij een reiziger uit Suriname en in 2018 eenmaal uit Brazilië en eenmaal uit Senegal of Gambia. Sindsdien zijn er geen meldingen meer gedaan.

Auteurs: Gijs Klous, Marieta Braks

Box 1. Invasieve exotische muggen

Verschillende soorten exotische muggen van het geslacht Aedes worden in Nederland beschouwd als invasief. De meeste vondsten van invasieve Aedes muggen in Nederland betreffen Ae. albopictus en Ae. japonicus (zie Vondsten invasieve exotische muggen en Soortzoeker invasieve steekmuggen in Europa). Er zijn zes exotische Aedes soorten die beschreven staan in artikel 6a van de Wpg. Dat betreft Ae. aegypti, Ae. albopictus, Ae. atropalpus, Ae. japonicus, Ae. koreicus en Ae. triseriatus. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) kan volgens deze bepaling besluiten om preventieve maatregelen op te leggen als deze invasieve exotische muggen gevonden zijn of als er een kans is dat deze gevonden worden. De belangrijkste hiervan zijn de Aziatische tijgermug (Aedes albopictus) en de gelekoortsmug (Aedes aegypti), die verantwoordelijk zijn voor de overdracht van pathogenen in gebieden waar ze gevestigd zijn. Hoewel er tussen deze twee exotische muggen veel overeenkomsten zijn in de ecologie, biologie en vector-biologie, zijn er ook duidelijke verschillen. Met betrekking tot potentiële vestiging in Nederland is er ook een duidelijk verschil: de eitjes van de gelekoortsmug kunnen hier niet buiten overwinteren, en dus kan de gelekoortsmug zich (buiten) niet blijvend vestigen. 

Het Centrum Monitoring Vectoren van de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) monitort op invasieve Aedes muggen, met speciale muggenvallen op potentiële Ports of Entry, zoals (lucht)havens, parkeerplaatsen langs snelwegen en bloemenveilingen, en bij bedrijven die gebruikte banden of Lucky Bamboo importeren. Daarnaast is er speciaal voor burgers een online meldpunt. Na vondst van deze invasieve muggen, coördineert de NVWA de bestrijding ervan. Hoewel de bestrijding van invasieve Aedes muggen soms een aantal jaren kan duren, is Ae. albopictus momenteel niet gevestigd in Nederland. Een uitzondering hierop is de Aziatische bosmug (Ae. japonicus), die gevestigd is in grote delen van Nederland (Aziatische bosmug). Deze soort speelt wereldwijd nergens een belangrijke rol in de verspreiding van door muggen overgedragen ziektes; bestrijding van de Aziatische bosmug in gebieden waar deze al gevestigd is wordt daarom niet zinvol geacht.

Naast dat tijgermuggen en gelekoortsmuggen vectoren zijn van tropische virussen zoals het denguevirus, gele koorts virus, Zikavirus en chikungunyavirus, kunnen ze leiden tot overlast omdat het dag-actieve agressieve bijters zijn. Daarnaast valt op dat ze klein zijn (kleiner dan de meeste inheemse muggen), en duidelijk zwart-wit getekend. Deze muggen zijn zogenaamde ‘container breeders’, wat betekent dat larven zich ontwikkelen in stilstaand water in kunstmatige objecten, bijvoorbeeld in potjes, bekers, blikjes, schoteltjes, regentonnen, banden, met (regen)water. De eitjes van deze muggen, en vooral die van Ae. albopictus, zijn zeer resistent tegen uitdroging en kunnen tegen matige vrieskou; ze kunnen na een lange periode van droogte alsnog uitkomen als ze in contact komen met water. 

 Aedes aegypti
Gelekoortsmug
Aedes albopictus
Aziatische tijgermug
UIterlijkklein, zwart-witte poten met wit uiteinde van de achterpoten, zwart met witte liervormige tekening op de rug van het borststukklein, zwart-witte poten met wit uiteinde van de achterpoten, zwart met witte streep midden op de rug van het borststuk
BijtgedragSterke voorkeur voor mensenVoorkeur voor mensen, maar ook opportuun (ook andere zoogdieren en evt. vogels)
DagbijterDagbijter
EitjesResistent tegen uitdrogenResistent tegen uitdrogen
Gaan niet in diapauze maar kunnen goed tegen hitte en uitdroging Kunnen in diapause bij ongunstige omstandigheden, zoals droogte of winter
Broedplekken

Container breeder (natuurlijke & kunstmatige)

Menselijke nederzettingen (urbaan)

Container breeder (natuurlijke & kunstmatige)

Menselijke nederzettingen ((peri-)urbaan & ruraal)

OorsprongAfrikaZuidoost Azië
Mogelijke verspreidingTropen & subtropen(sub)tropen & gematigde klimaatzones
Situatie Europabeperkt gevestigd (Madeira en Cyprus) 
Aedes aegypti - current known distribution: April 2026
in aanzienlijke mate gevestigd, ook in buurlanden zoals België, Duitsland en Frankrijk 
Aedes albopictus - current known distribution: April 2026
Situatie Nederlandaf en toe vondsten (vooral op luchthavens) Vondsten invasieve exotische muggentientallen vondsten per jaar, op verscheidene locaties zoals gebruikte bandenbedrijven, maar ook woonwijken Vondsten invasieve exotische muggen
Vector (in het veld) voorDenguevirus, gele koorts virus, Zikavirus, chikungunyavirus, Venezolaanse paarden encefalitis virusDenguevirus, chikungunyavirus, Zikavirus, Dirofilaria immitis, D. repens, Venezolaanse paarden encefalitis virus

3.4 Tekenbeten en de ziekte van Lyme

3.4.1 Hoofdpunten

  • De laatste huisartsenpeiling vond plaats in 2022 over het jaar 2021. Hier waren er 447 (95%CI 426-470) consulten voor tekenbeten per 100.000 inwoners en 147 (95%CI 140-154) erythema migrans (Lyme) diagnoses per 100.000 inwoners gesteld. Dit vertaalt zich naar in totaal 78.200 tekenbeten consulten en 25.600 EM Lyme diagnoses in Nederland.
  • In 2021 is er voor eerst sinds de start van de huisartsenpeilingen in 1994 géén toename gezien in het aantal erythema migrans (Lyme) diagnoses ten opzichte van de vorige peiling. Ook lag het aantal tekenbeetconsulten in 2021 lager dan in 2017.
  • Begin 2027 zal er een nieuwe huisartsenpeiling worden uitgevoerd. Deze kan worden vergeleken met een nieuwe surveillancebron voor lymeziekte, de Nivel huisartsregistraties, waarvan het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en Nivel naar verwachting binnenkort de eerste incidentiecijfers zullen publiceren. Daarnaast komen in 2027 naar verwachting de resultaten beschikbaar van een RIVM-peiling onder medische-microbiologische laboratoria (MML’s), waarin de incidentie van neuroborreliose en andere vormen van gedissemineerde ziekte van Lyme over 2025 is uitgevraagd.

3.4.2 Achtergrond

De ziekte van Lyme, of Lyme borreliose, is een door Ixodes-teken overdraagbare bacteriële zoönose die wordt veroorzaakt door Borrelia burgdorferi sensu lato (s.l.). Wereldwijd zijn er van Borrelia burgdorferi s.l. ongeveer twintig genospecies (subspecies) beschreven. Niet alle genospecies worden in verband gebracht met ziekte bij mensen, en van een aantal is het verband nog niet duidelijk. 

De ziekte van Lyme is te behandelen met antibiotica. Erythema migrans (EM), een zich uitbreidende rode kring op de huid op de plek waar de teek aangehecht zat, is een vaak, maar niet altijd, voorkomende aanwijzing dat er besmetting met Borrelia is opgetreden. EM kan tot drie maanden na de tekenbeet verschijnen. Andere mogelijke symptomen zijn koorts en spier- en gewrichtspijn in de eerste weken na een tekenbeet. Soms kunnen later gewrichts-, huid-, zenuw- of hartproblemen optreden als de initiële symptomen niet met antibiotica zijn behandeld, hoewel deze klachten soms ook de eerste tekenen van de ziekte kunnen zijn.

Kleine knaagdieren, zoals bosmuizen en rosse woelmuizen, en zangvogels zijn de reservoirdieren voor de twee belangrijkste Borrelia genospecies, repectievelijk Borrelia afzeli en B. garinni. Larven of nimfen kunnen de bacteriën bij een bloedmaaltijd op deze dieren opnemen en bij een volgende bloedmaaltijd op een mens overdragen. Een uitgebreide beschrijving van de ecologie van Lyme borreliose is te vinden in het Themahoofdstuk Knaagdieren van de Staat van Zoönosen 2016.

3.4.3 Epidemiologische situatie

De surveillance van tekenbeten en de ziekte van Lyme berust op een periodieke huisartsenpeiling, die elke 3 tot 5 jaar wordt uitgevoerd. Na de peiling over 2017 werd de nieuwe peiling aanvankelijk uitgesteld vanwege de start van de COVID-19 pandemie. Begin 2022 is echter alsnog een peiling onder huisartsen uitgevoerd naar het aantal consulten voor tekenbeten en het aantal diagnoses van de ziekte van Lyme in 2021. Aanvullend zijn er vragenlijsten afgenomen om zeldzame manifestaties van de ziekte van Lyme beter in kaart te brengen. Afhankelijk van het aantal gerapporteerde manifestaties door huisartsen werden validatievragenlijsten verzonden om de waarschijnlijkheid van de diagnose te beoordelen en te corrigeren voor het percentage buiten de onderzoeksperiode. Deze aanvullende vragenlijsten waren voor het laatst afgenomen in 2010.

In 2021 waren er 447 (95%CI 426‐470) consulten voor tekenbeten per 100.000 inwoners (Fig. 3.4.1). Dit resulteert in ongeveer 78.100 tekenbeetconsulten, duidelijk lager ten opzichte van 2017, waarin 91.200 tekenbeetconsulten werden gemeld. In 2021 werden verder 147 (95%CI 140‐154) EM diagnoses per 100.000 inwoners gesteld, vrijwel gelijk aan de incidentie van 150 (95%CI 145 – 155) per 100.000 in 2017 (Fig. 3.4.1). Het totale geschatte jaarlijkse aantal EM diagnoses bleef daarmee gelijk op 25.600, doordat de bevolkingsomvang is toegenomen. De incidentie van EM is het hoogst in Oost- en Noordoost-Nederland (Fig. 3.4.2).

De gecorrigeerde incidenties, rekening houdend met het aantal "zekere" diagnoses voor gedissemineerde Lyme-borreliose en "waarschijnlijke" diagnoses voor persisterende symptomen (aangezien deze diagnose niet met zekerheid te stellen is), op basis van het percentage binnen de onderzoeksperiode, waren in 2021 beiden 5,0 per 100.000. In vergelijking met 2010 daalde het aantal gevallen van gedissemineerde Lyme-borreliose significant, van 7,7 naar 5,0 per 100.000. Het aantal mensen met aanhoudende klachten na Lyme was niet significant verschillend: 5,0 per 100.000 in 2021 tegenover 5,5 per 100.000 in 2010. Voor persisterende symptomen is er ook een minder strikte inclusie toegepast, vanwege de bijdrage aan de ziektelast. De aangepaste incidentie, gecorrigeerd volgens het percentage meldingen van huisartsen binnen de beoogde diagnoseperiode, bedroeg 5,9/100.000.

De daling in tekenbeetconsulten tussen 2009 en 2014 destijds is mogelijk veroorzaakt door een intensievere publieksvoorlichting, waardoor mensen beter wisten hoe ze teken zelf konden verwijderen. De afname in het aantal consulten voor tekenbeten in 2021 kan waarschijnlijk deels worden toegeschreven aan de algemene afname van huisartsenbezoeken tijdens de COVID-19 pandemie.

De stabilisatie van het aantal diagnoses EM en de afname van zeldzame manifestaties als gevolg van Lyme kunnen mogelijk wijzen op een verbeterde herkenning en behandeling van de ziekte van Lyme. Toch moeten we ook rekening houden met de mogelijke invloed van de pandemie op het gebruik van gezondheidszorg en consultaties. Bovendien kan de afname van persisterende klachten die aan Lyme worden toegeschreven worden beïnvloed door een toename van de diagnose van long-COVID, waarbij artsen mogelijk niet verder kijken naar Lyme als mogelijke oorzaak.

De respons van de huisartsenpeiling lag lager in vergelijking met voorgaande jaren. De enquête had 2.015 huisartsenrespondenten met een patiëntenpopulatie van in totaal 5,6 miljoen mensen, wat een bevolkingsdekking van 32% vertegenwoordigt. Dit was nog 51% in 2017, en 62% in 2014.

Figuur 3.4.1 Incidentie van EM (Lyme) diagnoses bij de huisarts per gemeente in 1994 – 2021. Incidentie (aantal per 100,000 inwoners) van tekenbeten in de bevolking (Pienter, 1996‐2017, deze meting is niet gedaan over 2021), huisarts EM diagnoses, en tekenbeetconsulten bij de huisarts, 1994‐2021.

Figuur 3.4.2 Incidentie van EM (Lyme) diagnoses bij de huisarts per gemeente in 1994-2021

2 Incidentie van EM (Lyme) diagnoses bij de huisarts per gemeente in 1994 – 2021

Bekijk dit figuur in groot formaat (pdf).

Auteurs: Oda van den Berg, Kees van den Wijngaard, Mathilde Uiterwijk

3.5 Malaria

3.5.1 Hoofdpunten

  • In 2025 zijn er 204 malaria infecties vastgesteld; allen reis-gerelateerd.
  • In 78% van deze meldingen ging het om besmetting met P. falciparum.

3.5.2 Achtergrond

Humane malaria is een ziekte veroorzaakt door de Plasmodium parasiet. Deze parasiet wordt overgedragen door de beet van een Anopheles mug. De ziekte komt vooral veel voor in de tropen en subtropen, met name in sub-Sahara Afrika. In Nederland wordt malaria tegenwoordig gezien als importziekte. Inheemse Anopheles muggen zijn er nog wel, maar de malaria parasieten die in Nederland begin vorige eeuw malaria veroorzaakten (P. vivax en P. ovale) circuleren al decennia niet meer. Heel soms komt een autochtone besmetting voor, op of nabij een internationale luchthaven, via een geïnfecteerde mug, die is meegelift met een vliegtuig afkomstig uit endemisch gebied. Dit betreft dan meestal P. falciparum en is recent gebeurd op luchthavens in België en Duitsland. 

Er zijn vijf verschillende malaria parasieten die tot ziekte bij mensen kunnen leiden. De meest voorkomend zijn P. falciparum, en P. vivax, en daarnaast P. ovale, P. malariae en P. knowlesi. De laatste is de enige zoönotische malaria met een aap als reservoir, voor de andere vier is de mens het enige reservoir. Ziekteverschijnselen beginnen meestal 10 tot 14 dagen na de muggenbeet en de symptomen bestaan uit koorts, koude rillingen, spierpijn en hoofdpijn. Kenmerkend is dat P. vivax en P. ovale koortsaanvallen veroorzaken die om de 48 uur terugkeren, ook wel malaria teriana genoemd, terwijl een infectie met P. malariae een beeld geeft met koortsaanvallen om de 72 uur (malaria quartana). Infecties met P. vivax, P. ovale en P. malariae zijn zelden fataal.

P. falciparum en P. knowlesi geven een meer grillig koortspatroon en veroorzaakt malaria tropica. Bij deze vorm kunnen er na verloop van enkele dagen levensbedreigende complicaties ontstaan zoals hersenmalaria, nierinsufficiëntie, multi-orgaanfalen en shock. De sterfte aan malaria tropica bij niet-immune personen is vooral afhankelijk van de snelheid waarmee het ziektebeeld wordt herkend. Onbehandelde malaria kan snel leiden tot ernstige complicaties en overlijden. Malaria dient daarom altijd overwogen te worden bij mensen met koorts die recent zijn teruggekeerd uit gebieden waar malaria voorkomt. Bij hen dient diagnostiek naar malaria zonder vertraging plaats te vinden (zie ook richtlijn Malaria Diagnostiek). Om besmetting te voorkomen kan profylaxe genomen worden in de vorm van malariapillen en kan men zichzelf beschermen tegen muggenbeten door het dragen van bedekkende kleding tussen zonsondergang en zonsopgang en door het gebruik van muskietennetten.

3.5.3 Epidemiologische situatie

In Nederland is malaria een importziekte en werden in de periode 2016-2025 tussen de 70 en 262 meldingen per jaar gedaan (Fig. 3.5.1). Het merendeel van deze meldingen is veroorzaakt door P. falciparum. In de jaren 2020 en 2021 was het aantal meldingen door de reisrestricties vanwege de COVID-19 pandemie zeer laag, echter in 2023 was het aantal meldingen met 254 infecties weer terug op het niveau van voor de pandemie. In 2025 werden 204 meldingen gedaan, ook dit ligt weer in lijn met de aantallen van voor de COVID-19 jaren (range 2016-2019: n= 193-262). Het betrof in alle gevallen reis-gerelateerde infecties. Deze infecties werden met name in Afrika opgelopen (90% van de meldingen), waarbij de afgelopen vijf jaar, de vijf belangrijkste landen respectievelijk Ghana, Nigeria, Sierra Leone, Guinee, en Uganda zijn. Dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren.

Figuur 3.5.1 Aantal meldingen van malaria infecties in Nederland, 2016-2025 (bron: OSIRIS).

Auteurs: Gijs Klous, Marieta Braks

3.6 Tekenencefalitis (TBE)

3.6.1 Hoofdpunten

  • Per 1 maart 2025 is er een meldplicht voor tekenencefalitis ingesteld in Nederland. Tekenencefalitis valt in meldplicht groep C, dit betekent dat laboratorium-bevestigde patiënten via de (Gemeentelijke gezondheidsdiensten) aan het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) gemeld dienen te worden. Deze ontwikkeling kan tot gevolg hebben dat er vanaf 2025 een stabielere registratie van TBE-casuïstiek is ten opzichte van de vrijwillige registratie van bevestigde cases die van toepassing was tussen 2016 en 1 maart 2025. 
  • In 2025 zijn in totaal twaalf laboratorium bevestigde TBEV-infecties gemeld waarbij personen de besmetting waarschijnlijk hebben opgelopen in Nederland. Tien hiervan zijn waarschijnlijk opgedaan in reeds bekende risicogebieden. Bij twee patiënten was er sprake van besmettingen in nieuw geïdentificeerde GGD regio’s in Nederland. 

3.6.2 Achtergrond

Tekenencefalitis is een hersen(vlies)ontsteking die veroorzaakt wordt door het tekenencefalitisvirus (TBEV), een orthoflavivirus. Het virus kan overgedragen worden door teken, vooral de schapenteek Ixodes ricinus, maar ook via consumptie van rauwe melk en producten daarvan, afkomstig van geïnfecteerde dieren.1 De meeste mensen die besmet zijn met het virus worden niet ziek of ontwikkelen milde klachten. Bij mensen die wel ziek worden, kan de ziekte in twee fasen verlopen. In de eerste fase kunnen mensen griepverschijnselen, koorts en hoofdpijn ontwikkelen. Deze verschijnselen duren ongeveer 5 tot 10 dagen. Een aantal dagen na afloop van de eerste fase kan er een tweede fase ontstaan met hoge koorts, hoofdpijn, verlammingsverschijnselen, ontsteking van de hersenen en hersenvlies. In uitzonderlijke gevallen kunnen mensen aan de infectie overlijden. Er is een vaccin beschikbaar tegen TBEV infecties.

De ecologie van TBEV in Nederland is in de Staat van Zoönosen 2023 beschreven.

3.6.3 Epidemiologische situatie

In 2016 werden in Nederland de eerste autochtone humane TBE-patiënten gemeld (Fig. 3.6.1). Sindsdien werden in Nederland autochtone TBE-patiënten voornamelijk gediagnosticeerd in of nabij twee bekende gebieden (Sallandse- en Utrechtse Heuvelrug), maar ook zijn er mensen zeer waarschijnlijk besmet op andere locaties, namelijk centraal Noord-Brabant, het noordoosten van de Flevopolder, Twente en de Achterhoek. In 2023 kwam daar Terschelling bij. Ook testte in 2023 een paard met ataxie op Terschelling positief op TBEV. In 2024 en 2025 zijn middels de identificatie van humane patiënten en ecologisch veldwerk, meerdere GGD regio’s toegevoegd aan de kaart met TBE verspreiding. Dit betrof de GGD-regio’s Zeeland, Brabant-Zuidoost, Groningen, Drenthe, Hollands-Midden en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (zie kaart: Tekenencefalitis).

In 2025 zijn in totaal twaalf patiënten gemeld waarvan met zekerheid vastgesteld kon worden dat ze de besmetting hebben opgelopen in Nederland. Deze besmettingen gebeurden op Terschelling (drie besmettingen), in centraal Noord-Brabant (twee besmettingen), binnen de GGD regio Utrecht (drie in totaal, waarvan twee op de Utrechtse Heuvelrug), in Twente (twee besmettingen), nabij Arnhem (één besmetting) en in Noord-Limburg (één besmetting). Het totale aantal laboratorium-bevestigde autochtone TBE-infecties in Nederland tot en met 2025 bedraagt 41, waaronder één buitenlandse toerist is. 

Figuur 3.6.1 Aantal laboratorium bevestigde autochtone en reis-gerelateerde TBE-infecties in Nederland per jaar.

grafiek 3.6.2

Sla de grafiek 'Aantal laboratorium bevestigde autochtone en reis-gerelateerde TBE-infecties in Nederland' over en ga naar de datatabel

Nb. De ‘toerist’ in 2023 betrof een infectie opgelopen in Nederland, door een toerist die via het thuisland gemeld is aan het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Voor infecties ‘onbekend’ is geen land van besmetting opgegeven of zijn meerdere landen als mogelijk land van besmetting gemeld.   

*Per 1/3/2025 geldt er een meldplicht voor TBE.

Literatuur: 

  1. Tomassone, L., et al., A systematic review on the prevalence of tick-borne encephalitis virus in milk and milk products in Europe. Zoonoses and Public Health. 2025; 72(3):248-258
Auteurs: Gijs Klous, Kees van den Wijngaard, Sabiena Feenstra, Chantal Reusken, Eelco Franz, Marieta Braks, Mathilde Uiterwijk

3.7 Westnijlvirus

3.7.1 Hoofdpunten

  • In 2025 zijn geen autochtone patiënten met westnijlkoorts en/of westnijl neurologische ziekte vastgesteld. Er waren ook geen WNV-registraties in de Virologische weekstaten.
  • In 2025 zijn drie pools met muggen positief getest voor Westnijlvirus.
  • In 2025 werden drie paarden, twee dode wilde vogels, twee dode gehouden vogels en drie levende gehouden vogels positief getest voor Westnijlvirus.

3.7.2 Achtergrond

Het Westnijlvirus (WNV) is een orthoflavivirus dat circuleert onder bepaalde vogelsoorten (vogels zijn reservoirs) en wordt overgebracht door muggen, met name van het geslacht Culex. Muggen nemen het virus op bij voeden op besmette vogels. Deze geïnfecteerde muggen kunnen het virus vervolgens verspreiden naar andere vogels, en soms ook naar mensen en andere zoogdieren, zoals paarden. De mens en het paard zijn zogenoemde dead end hosts. Dit betekent dat zij het virus niet weer ‘terug kunnen geven’ aan muggen. Bij de mens verlopen de meeste infecties (ong. 80%) asymptomatisch, soms met een griepachtig ziektebeeld (ongeveer 20%) en bij 1% kan de infectie leiden tot (ernstige) neurologische klachten zoals (meningo-)encefalitis, meningitis of myelitis zich manifesterend als acute slappe verlamming. Bij paarden vertoont 10% van de geïnfecteerde dieren (ernstige) neurologische klachten. WNV infectie bij de mens is een meldingsplichtige ziekte (groep C). Aangezien WNV infecties in Nederland weinig voorkomen en de bekendheid met het virus naar verwachting beperkt is, is er naast de meldplicht ook een monitoring van infecties opgezet via liquor (hersenvocht) afgenomen bij patiënten met onbegrepen neurologische klachten. Verder wordt het aantal humane WNV diagnosen ook bijgehouden via de Virologische Weekstaten. Bij paarden en vogels is WNV meldingsplichtig op basis van de wet Dieren (zie 2.2 Meldingsplichtige zoönosen). Voor mensen is geen vaccin beschikbaar tegen WNV infecties, wel voor paarden.

In Nederland werd WNV voor het eerst gedetecteerd in 2020 in muggen en vogels en werden ook mensen besmet. Sinds 2020 zijn er geen humane meldingen meer geweest van WNV, maar werd het virus wel gedetecteerd in vogels in 2022. Om een vinger aan de pols te houden is de surveillance onder mens, paard, vogels en muggen ook in 2024 en 2025 voortgezet door een multidisciplinaire WNV-werkgroep.

3.7.3 Epidemiologische situatie mensen

Na een decennialange opmars van het WNV in Europa werden in 2020 de eerste autochtone humane WNV-patiënten (n=8) in Nederland gediagnosticeerd in de regio’s Utrecht en Arnhem. Sindsdien zijn er geen autochtone patiënten vastgesteld. In de Virologische Weekstaten werden in 2025 geen WNV-infecties gemeld.

3.7.4 Situatie in vogels en muggen

Box 2. Inheemse steekmuggen in Nederland

Er zijn vele muggen-families (Nematocera) zoals dansmuggen (Chironomidae), kriebelmuggen (Simuliidae), langpootmuggen (Tipulidae) en motmuggen (Psychodidae), knutten (Ceratopogonidae) en steekmuggen (Culicidae). Sommige Culicidae zijn belangrijke vectoren van (zoönotische) pathogenen. Van de wereldwijd ruim 3.650 beschreven soorten steekmuggen, zijn er in Nederland zo’n 35 inheemse steekmug soorten bekend, behorende tot de genera Aedes (zeventien soorten), Anopheles (malariamuggen, zeven soorten), Coquillettidia (één soort), Culiseta (één soorten) en Culex (vier soorten). Alleen vrouwelijke steekmuggen bijten voor bloed wat ze nodig hebben voor de ontwikkeling van eitjes. Wanneer ze dit bij meerdere gastheren doen kan soms pathogeen overdracht plaats vinden. Niet al deze soorten zijn van belang als vector. Of en in hoeverre een soort van belang is als vector, hangt af van verschillende factoren. Een belangrijke factor is vector competentie. Als een soort vector competent is, betekent dat dat deze soort in staat is het pathogeen over te dragen naar een nieuwe gastheer. Dit wordt vaak onder laboratoriumomstandigheden bepaalt. Uiteindelijk is het belangrijk of een soort het pathogeen in het veld ook overdraagt, dus of en in hoeverre het een rol speelt bij uitbraken. Hiervoor zijn verschillende factoren van belang, waaronder vector competentie, maar ook hoe lang het duurt voordat het pathogeen weer overgedragen kan worden na opname (extrinsic incubation period), populatie dichtheid, levensduur en overleving, gastheer voorkeuren en bijtgedrag, locatie broedplekken. Of de soort een ‘vector in het veld is’ wordt aangeduid met vector capaciteit.

De meest algemene steekmug in ons land en de belangrijkste inheemse vector soort is de gewone huissteekmug, Culex pipiens. Deze steekmuggensoort is vector voor o.a. Westnijlvirus, Usutuvirus, Sindbisivirus, Rift Vallei virus en Dirofilaria en aviaire Plasmodium parasieten. Van deze pathogenen komen Usutuvirus en aviaire Plasmodium algemeen voor, en Westnijlvirus en Sindbisvirus slechts af en toe. De huissteekmug broedt op allerlei plekken waar lang genoeg stilstaand water in zit met weinig natuurlijke vijanden zoals straatkolken, potjes/schotels, regentonnen, dakgoten, voer/drinkbakken, maar ook in (hypertrofe) sloten, meertjes of vijvers etc. De ontwikkeling van ei tot volwassen mug duurt 3 tot 4 weken. Als het heel warm is, gebeurt dit in 10 tot 14 dagen. De huissteekmug steekt vooral rondom de schemering, in de ochtend en in de avond. 

Het Centrum Monitoring Vectoren (CMV) van de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) voert sinds 2019 intensieve monitoring uit naar deze muggensoort (Figuur 3.7.1). Daartoe staan er op minstens twaalf semi-urbane locaties (de locaties zijn dusdanig gekozen dat er vogels aanwezig zijn, en in de buurt van bewoning) in het seizoen (april t/m oktober) muggenvallen. De locaties zijn telkens dezelfde, zodat de gegevens goed over het seizoen en over de jaren vergeleken kunnen worden. Alle gevangen muggen worden morfologisch geïdentificeerd. Omdat morfologisch geen onderscheid gemaakt kan worden tussen vrouwelijke Cx. pipiens en de nauw verwante Cx. torrentium, wordt Cx. pipiens/ torrentium genoteerd. Van deze soorten kunnen de mannetjes en de larven wel morfologisch onderscheiden worden, evenals alle stadia met moleculaire technieken zoals qPCR. Als vector van WNV is Cx. torrentium, die in Nederland minder wijdverspreid voorkomt dan Cx. pipiens, waarschijnlijk minder relevant, hoewel Cx. torrentium wel wordt beschouwd als een vectorsoort voor het Sindbis virus.

Naast de huissteekmug zijn er in Nederland andere inheemse steekmuggen die van belang kunnen zijn als vectoren van bepaalde pathogenen, hoewel in mindere mate. Dit betreft de steekmugsoorten Aedes caspius, Aedes cinereus, Aedes detritus, Aedes geminus, Aedes geniculatus, Aedes vexans, Anopheles plumbeus (loodgrijze malariamug), Coquillettidia richiardii, Culex modestus, Culiseta annulata (grote steekmug), Culiseta morsitans en Culex modestus. 

Muggen 

De inheemse steekmuggensoort Culex pipiens is de belangrijkste vector voor het WNV in Nederland.

Figuur 3.7.1. Longitudinale Cx. pipiens/torrentium monitoring 2019-2025.

In de bovenstaande figuur zijn de gemiddelde aantallen vrouwelijke Cx. pipiens/torrentium per val per week afgebeeld, over de verschillende jaren. De verschillen tussen de jaren zijn veroorzaakt door door de verschillende weersomstandigheden. Hierbij is de combinatie van natte periodes, die van invloed is op de aantallen broedplekken, en de temperatuur, waarbij de ontwikkeling van ei tot adulte mug sneller verloopt bij hogere temperaturen dan bij koeler weer, van belang. 

In 2025 zijn in totaal 2.733 muggen (Tabel 3.7.1) gevangen. De meest gevangen muggen betrof Cx. pipiens/torrentium (2.427; 88.8% van het totaal).

Tabel 3.7.1. Totaal aantal gevangen muggen in de NVS Culex Longitudinaal, 2025 (CMV (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit)) en aantal pools getest op pathogenen, waaronder WNV

CulicidaeAantal exemplarenAantal pools
Aedes japonicus10
Aedes sticticus61
Aedes vexans23032
Anopheles claviger65
Anopheles maculipennis s.l.2416
Anopheles plumbeus98
Coquilletidia richiardii1812
Culiseta annulata1210
Culex pipiens/torrentium2427452
Eindtotaal2733534

De vangsten van 2025 zijn aan het einde van het seizoen getest op WNV en Usutuvirus (USUV). Daarnaast zijn de muggen ook getest op Bataivirus, Tahynavirus en Sindbis virus en op aviaire Plasmodium (vogelmalaria).
Twee van de geteste pools uit de longitudinale survey 2025 testten positief voor WNV. Geen van de geteste pools testten positief op Tahynavirus of Sindbis virus. Wel werd USUV en aviaire Plasmodium aangetoond. In totaal 33 pools testten positief op USUV (33/4.618 = 0,02% poolprevalentie); waarvan 30 pools Cx. pipiens/torrentium met in totaal 230 exemplaren, twee pools An. maculipennis met in totaal drie exemplaren en één pool Cs. annulata met daarin 1 exemplaar. Ook werd het Bataivirus voor het eerst aangetroffen, dit is beschreven in Hoofdstuk 4.4.

Sinds 2020 is een tweede longitudinale monitoring van muggen opgestart (door onderzoeksproject OneHealth-PACT en later het Pandemic and Disaster Preparedness Center) waarin muggen worden gevangen door vogelringers, een programma wat wordt gecombineerd met de lopende monitoring van levende en dode wilde vogels.2,3 In 2025 is op veertien verschillende locaties muggen gevangen. 
Verdere informatie over de resultaten uit eerder jaren is te vinden in een wetenschappelijk paper4, alsook de rapporten over WNV surveillance en response 2021-2023 en 2024-2025.1,5

In 2025, zijn er naast de veertien vogeltrekstations waar muggen worden gevangen en bemonsterd, ook extra muggen gevangen op onderzoeklocaties waaronder de Eendragtspolder. Half september werd WNV gedetecteerd in een muggenpool die 4 september in Zuid- Holland was gevangen. 

Soortverdeling van het totaal aantal gevangen muggen op de vogelringlocaties en één onderzoekslocatie in 2025 binnen de OneHealth-PACT/PDPC monitoring.

Tabel 3.7.2 Soortverdeling van het totaal aantal gevangen muggen op de vogelringlocaties en één onderzoekslocatie in 2025 binnen de OneHealth-PACT/PDPC monitoring 

* Het totaal aantal muggen per soort wijkt af van het gerapporteerde totaal aantal gevangen muggen, omdat een beperkt aantal exemplaren niet tot op soortniveau kon worden geïdentificeerd en daarom niet is opgenomen in deze uitsplitsing.
CulicidaeAantal gevangen exemplarenAantal geteste pools (WNV pos)*
Aedes cantans42
Aedes caspius33
Aedes cinereus128
Anopheles maculipennis complex1486369
Anopheles plumbeus1911
Coquilletidia richiardii5944
Culex territans10876
Culex modestus353169
Culex pipiens/torrentium86781144 (1)
Culiseta annulata438198
Culiseta morsitans5645
Eindtotaal112162069

Vogels

Sinds 2016 worden in Nederland ook levende en dode wilde vogels gemonitord op het  voorkomen van WNV. In hetzelfde programma wordt ook getest voor USUV, SINV, TBEV, Japanse encefalitis virus en aviaire influenza (gefinancierd door ZonMW eco-alert project, later OneHealth PACT en ministerie van (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en LVVN). In 2025 zijn in totaal 3.000 levende wilde vogels gevangen, bemonsterd (door NIOO-KNAW) en getest (door ErasmusMC). 

Figuur 3.7.2 Top 20 van meest gesamplede vogelsoorten in 2025, binnen de OneHealth PACT monitoring

3.7.5 Situatie in paarden

Kort na de vondst in muggen werden drie paarden in hetzelfde gebied gediagnosticeerd met een Westnijlvirus infectie. Het betrof de eerste vondsten van WNV bij paarden in Nederland zonder buitenland anamnese.

Intensiveren van de surveillance in vogels en muggen en alerteren van medisch microbiologische laboratoria in de regio leidde niet tot meer vondsten. Wel werd nog één klinisch paard positief getest.

Concluderend werden er in 2025 voor het eerst autochtone WNV-infecties gedetecteerd bij paarden (n=3) in Nederland. Daarnaast zijn in 2025 WNV infecties vastgesteld bij dode wilde (n=2) en dode gehouden vogels (n=2), in muggen (n=3 pools) en hobbykippen (n=3). Alle signalen kwamen uit Zuid-Holland of Noord-Brabant. 
 

Literatuur: 

1. Van Ewijk, C., et al., Westnijlvirus in Nederland. Surveillance en Respons 2021-2023 Eindrapport. 2024, (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), Rapport 2024-0050
2. Krol, L., et al., Interactive effects of climate, land use and soil type on Culex pipiens/torrentium abundance. One Health. 2023; 17:100589
3. Sikkema, R., et al., Detection of West Nile virus in a common whitethroat (Curruca communis) and Culex mosquitoes in the Netherlands, 2020. Eurosurveillance. 2020; 24(40): pii=2001704
4. Münger et al, E., et al., One Health approach uncovers emergence and dynamics of Usutu and West Nile viruses in the Netherlands. Nature Communications. 2025; 16:7883

Auteurs: Marieta Braks, Mathilde Uiterwijk, Reina Sikkema, Sabiena Feenstra, Chantal Reusken, Gijs Klous


3.8 Zikavirus

3.8.1 Hoofdpunten

  • Er zijn in 2025, geen meldingen gedaan van een Zikavirus (ZIKV) infectie bij zwangere vrouwen. 

3.8.2 Achtergrond

Zikakoorts wordt veroorzaakt door ZIKV, een orthoflavivirus dat door geïnfecteerde muggen van het geslacht Aedes (met name Ae. aegypti) op mensen wordt overgebracht. Bij de meeste mensen verloopt de ziekte mild, echter een infectie tijdens de zwangerschap kan tot gezondheidscomplicaties leiden bij het ongeboren kind. In 6% van de gevallen kunnen aangeboren neurologische afwijkingen zoals microcefalie ontstaan. Ook kan het syndroom van Guillian-Barré ontstaan bij mensen die geïnfecteerd zijn met het ZIKV. ZIKV komt voor in de tropen en subtropen. Er is geen vaccin beschikbaar.

3.8.3 Epidemiologische situatie

De vectorsoorten (zie Box 1) worden soms geïntroduceerd in Nederland, maar hebben zich niet gevestigd in Europees Nederland, daarmee is Zikakoorts primair een importziekte (reizigers). Sinds 2016 geldt een meldingsplicht voor ZIKV-infecties tijdens de zwangerschap en gecompliceerde infecties. Gecompliceerde infecties zijn infecties die leiden tot ziekenhuisopname, personen die zijn overleden binnen vier weken na de ZIKV-infectie, en personen die ernstige spierverslappingsverschijnselen ontwikkelen na infectie, het zogenaamde Guillian-Barré syndroom. Na een wereldwijde ZIKV-uitbraak in 2015-2016 worden sinds 2018 nauwelijks meer infecties vastgesteld (zie Figuur 3.8.1).

ZIKV-infecties worden naast de meldingen via de Virologische Weekstaten gemonitord. In 2025 was het aantal ZIKV registraties drie in de Weekstaten. Het aantal registraties in de Weekstaten wijkt af van het aantal geregistreerd via de meldplicht. Een mogelijke verklaring voor deze discrepantie is dat niet alle infecties in de Virologische Weekstaten aan de criteria van de meldplicht voldoen. De meldplicht is namelijk gericht op het notificeren van ZIKV-infecties in zwangere vrouwen, of neonaten, dan wel mensen met een ernstig verloop van de ziekte.

Figuur 3.8.1 Aantal gemelde zikavirus infecties in de meldplicht (oranje) en in de Virologische Weekstaten (blauw) per jaar, 2016-2025 (bron: OSIRIS en Virologische weekstaten).

Auteurs: Gijs Klous, Mathilde Uiterwijk, Marieta Braks